Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE ZANG. 33 De lente kuscht natuur bevallig bloezend wakker,

En vlegte een bloemkrans , voor verfrischte vruchtbaarheid, Het lief genoegen wierdt, langs beemd en tuin en akker,

Met vreugd en nijvre vlijt, verrukt ten dans geleid; Toen men , vol ongeduld, op 's rechters pleit bleef wachten ,

Europa houdt haar oog, op elk bedrijf, gevest, Nog poogt men 't nadrend lot der onfchuld te verzachten ;

Dan,wreede dwang beheerscht 't verfcheurt Gemeenebest. Geen Iaage vrees benart het drietal edle zielen,

Hun moed bezwijkt niet, fchoon de laster dreigend woedt, Nooit, dwingland ! ziet gij hen als fchuldig voor u knielen ,

Neen, eer wordt vrijheidsmin bedauwd met menfehen bloed.Doorluchte Barneveld, bemind als vriend en vader,

De troost, de toevlucht der verdrukte onnozelheid, Word, voor deez vierfchaar, God'! gedoemtals landverrader,

Daar elk verheven trek voor 's Grijsaarts deugden pleit! — De Groot, fchoon telkens door gevloekte list beflreeden,

Verdedigt de onfchuld ïlóüt van brave Barneveld, De vriendfchap offert God haar tedre fmeekgebeden,

Terwijl zij 't gloeiend hart met fchroevendc angfïen knelt.

C 2 De

Sluiten