Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE ZANG. 51 », ja 'k hoorde (zegt de Groot) mijn grijzen vriend verwijzen „ Naar 't fchandlijk moordfchavot, ik hoorde ook Ledenberg, In 't fchaduwdal des doods vervolgt; neen, 'k zal niet ijzen, ,, Zeg dat men, vruchtloos, mij een fchuldbekentenis verg! Naauw kon mijn Hugo 't zoet der eenzaamheid weêr fmaaken ,

Of zijn verheven ziel ontvlamt door hemelmin , Geen fchroevende angst doet hem beklemde zuchten flaaken ,

Hij zweefde, op lof gebeên, 't gewest der Seraphs in. De Alwijsheid doet zijn oog op fchaduw beelden ftaaren

Van 'tnadrend lot. De dood wijkt in een dof verfchiet, Van achter't zwart gordijn , daagd gints een reeks vanjaaren,

Aanééngefchakeld door geluk en zielverdriet. De macht, die thans natuur in zachte kluisters boeide,

Getuigt hoe 't flaaploos oog der rcinfte tederheid, Zijn Vaale vleuglen met een traanenvloed befproeide,

'k Hoor nog hoe huwlijksmin met zaalge vriendfchap fchreid. Een donkre morgenftond zweefde op gevleugelde uuren ,

Uit roozen wolken aan, natuur doet kwijnend 'tlot Van Hoorn en Egmond , thans 't gewoel des tijds verduuren, Voor eenenvijftig jaar zag zij hun moordfchavot. («)

t Die

OJ Ao. 1568. wierden de graaven van egmond en hoorn te Brut/el, op last van a l v a , onthalst.

D a

Sluiten