Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Si HUGO de GROOT. 1

Die dag, eer hij aan 'teind der Schepping is gezonken,

Heeft met hun bloed hun naam gemaalt op'swaerelds as, Die naam zal, wen de tijd den doodfnik geeft, nog pronken ,

En fchetzen welk gedrocht bloedgierige Alva was; Die dag verjaart en zal op nieuw aan wreedheid huwen,

Een tweede wraakgil doemt mijn edele de Groot, Hun naam zal vruchtloos 'toog van 'tvloekend nakroost fchuwen,

De Haag wacht reeds, ontroert,'t bevel tot 'sbraaven dood. Ik zie mijn Christen held, vol moed, de vierfchaar naadren

Hij Maat een fiere blik op laage trotsheid neêr, 'tAeloude belgcn bloed golft door zijn kronkelende aadren ,

Geen laffe fchroom bezvvalkt mijn 's Hugo 's vleklooze eer. Ik zie zijn fpreekcnd oog, door angst noch wraak verwildert,

Terwijl de dwinglandij hem als misdadig doemt, De vreedzaame onfchuld blijft op 'tgul gelaat gefchildert,

Daar 't vrij geweeten elk der ftaatsbedrijven roemt, — -Hem die de olijfkrans poogt om Vrijheidshoed te ftrcnglen,

Noemt men verwoester van 's Lands zaalgen eendragtsband ! De roem der Christenheid, Godsvriend, de lust derEngelen,

Doemt men als pest der deugd, en hoon van 'tVaderland!

Het

Sluiten