Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

54 HUGO de GROOT.

Een traan van liefde en trouw, zwelt in zijn drijvende oogen, De Groot die 'tedel hart, waar 'timmer klopt, waardeert, Vondt, in zijn dienaar zelfs, een vriend, wiens mededoogen,

Hem al 't aandoenlijk fchoon van tedre zielen leert. De Jongling drukt zijn hand, en voelt zijn boezem gloeien:

„Neen, waar me u voer', verlaat u van de Velde niet, (Dus fpreekt hij fnikkend) „durft geweld u eeuwig boeien?

,,'tMoord al mijn vreugd!"- de Groot die hem dees troost taal 1 icdt, Zegt: d'aardling zoekt vergeefs deüraf der tijd te onttrekken , „Ikkengeene eeuwigheid, dan waar geen licht meer daagt, Daar eindelooze ondeugd God tot eeuwge ftraf blijft wekken , „Daar eeuwig wroegende angst aan't fnood geweeten knaagt." Thans doet men Hogerbeets het zelfde vonnis weeten ,

De galm der doemftem dringt de fombre muuren dóór: De Groot fchijnt eigen leed om 's Grijsaards te vergceten;

Nu draaft de huichlarij, vol vreugd, langst elfen fpoor, De trotfche heerschzucht durft haar wreede wetten geeven, De Godsdienst knielt geboeit bij vrijheid fterfkoets neêr, De trouwfte burgers, uit 'tverfcheurt gewest gedreeven , Betreuren Haag die vlek,in Neêrlands fchittrende eer!

Wan-

Sluiten