Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE ZANG.

M

_LvULaaI nu,mijn zangeres!maal 's Lands bewolkte glorie,

Leen nooit een valfche verw, aan grootfchc onfterfKjkheid ! _ Ik zie, óLoevenftein! hoe gij in 's Lands hiftorie,

Een fombre fchaduw op der belgcn eernaam fpreidt. — Wierdt 't Haagfche Binnenhoff, terwijl natuur ontroerde,

Bemorst met fchuldeloos bloed,waarom de naneef fchreid? De plaats, waar dwingelandij twee edle burgers voerde,

Draagt, op zijn terpen 't beeld der üioodite ondankbaarheid, De aloudheid fehraag zich vrij aan trotfche zegeboogen,

Door de eeuwen half vergruist, terwijl een menschlijk hart, Bij elke heldendaad, door't grootsch gevoel bewoogen, Het lot der onfchuld voelt, en treurt bij haare fmart. Hier zal de zegepraal der fnoodfte heerschzucht fchittren,

ó Tijd! zoo lang de zon op uwe vleugels blinkt, Zal Loevenftein het oog der edle deugd verbittren;

Paar't aan den grens des tijds, met haat en wraak verzinkt!

Straks

Sluiten