Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

64 HUGO öe GROOT.

„ Mij dacht hen voor te ftaan , deedt mij hunne achting winnen,

„Ik zag de geestlijkheid reeds flaafsch voor mij geknielt. „Ik zag door domheid mij als heilig reeds beminnen;

„En, daar een hooger doel mijn moedig hart bezielt, „ Hadt Neerland mij misfehien, als Graaf zijn trouw gezwooren,

„ Hadt Hogerbeets , de Groot, en grijze Barneveld, „ Niet dc oude Vrijheidsmin doen in 's volks boezem hooren j

„ Neen, 'k heb met recht, in 't eind, hun moedwil perk geftelt! „ Maar welk een heimelijke angst vlamt telkens in mijn boezem?

„Het oog der Godheid ziet al wat ik immer dagt, „ ö Barneveld! uw zorg hieldt voor mijn leevens bloezem,

,, Voor mijn geluk, mijn roem , mijn waar belang de wacht! „ Welk aklig fchrikbeeld zweeft voor mijn verwilderde oogen ?

„ Hoe flaauw wordt deze plaats beglinstert door de Maan!... ,, Mijn God! "k zie Barneveld ! voor 't treffend zwaard geboogen,

„ Hoe grimt mij 't gaapend hoofd met tuimelende oogen aan! -

„Vlucht

voelens, maar de menschkundige karakterfchets van maurits

die zij aanvoert ■ Schoon de Heer j. nomsz, jegenswoor-

dig, door eene wonderlyke omkeering van denkbeelden, den lof van Prins maurits heeft omfchreven, is het echter der moeite waardig, dat men in zyne vaderlandsche brieven eens naleest, zynen brief van oldenbarneveld aan maurits en die van louise de coligmï, aan denzelfden Vorst.

Sluiten