Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

66 II U G O de GR O O T.

„„Gij weet, ó vorst! dc nacht verlprcidde 't akligst donker,

„„Toen ik de Heeren leide, uit 't oude Staaten Hof, „„ Ik zag der vrienden fmart, bij 't helder dargetloiikcr,

„„Het fcheiden gaf de Groot een dille treurensdof; „„ Delfshaven zag ons reeds , bij 't blozend daglicht nadrcn ,

„,,'k Verbeide hier het uur, tot ons vertrek bepaalt, „„ Hoe zweefde een zachte vreugd, de Groot door hart en adren,

„„Terwijl een reine drift in tintlende oogen draalt

ha 'k ZaS Hogerbeets voor't eerst de Groot in d'armen knellen,

„,, Na zoo veel maanden, bragt dit tijddip hen bij één , „,, 'k Zag zuivre traancn van gevoel in de oogen zwellen,

„„Geen woordt ontgleedt hun tong,door vreugde en fmart bcdrcên „„Een vlugge tocht deedt ons, al ras, de vest aanfehouwen ,

„„ Van 't oude Dorth ; al 't volk hieldt 't daarend oog gevest, ,„,Op hen die ik mij door den Staat zag toevertrouwen,

„,,lk boezemde eerbied in, voor 't vrijgemeenebcst. „„Ik liet door 't krijgsvolk daagden derken toeloop weeren, „,,'k Verzuimde nergens tijd, wij reden Gorchem dóór, „„Nieuwsgierigheid hieldt 't oog gevest op beid' de Heeren , „„En fchimp en deerenis vervolgden hen op 't fpoor. —

,,,, Het

Sluiten