Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE ZANG. 71' Hoe vloeide toen reeds troost van zijne kindfche lippen,

Zijn dierbaare oudren, door hun telgjens vroegen dood, Gevoelden, zelfs bij 't graf, in de akcligfte flippen,

Zich ftreelen door de hoop die aanlachte in de Groot. Nog ziet mijn Held zich door een telg der Godheid narren ,

Een lieve fpeelgenoot van Goëls zaalge bruid-, Hij kent haar zachtcn gloed,de vreugd zweeft hem door de aadretl,

Terwijl zij hem, verrukt, in knellende armen fluit, Haar zuiver wit gewaad, waar op robijnen blinken, Een krans uit 't Paradijs, van palm en lelieblaan, Zijn 't merk der vriendfchap : 'k hoor der englen fnaaren klinkefi,

Zij heffen 't loflied voor hun zaalge zuster aan. De Groot ziet, door haar hand, zijn heete traanen droogen ,

„Houdt moed,dus fpreekt ze:'kfchuw den fombren kerker niet, „ Mijn ijvervuur ontvlamt, door teeder mededoogeh , „ Ik deel in al uw leed; 'k voel al uw zielverdriet. „De zuivre huwlijksmin, in mijnen fchoot geheiligt, ,, Wordt hier door tedre zorg voor uw behoud gevoerd, Hier juicht ze eens, wen zij u, door mij voor ramp beveiligt,

„Weêr in den zachten arm der blijde vrijheid fnoert." ■

E 4 De

Sluiten