Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE ZANG. yp

Thans mag de Groot zich door zijn Gaê's vriendin zien nadren,

Hij drukt Amelia aan 't dankbaar gloeiend hart. Het kroost omhelsd , gevleid, lacht huplend door den kerker,

Cornelia, die jong reeds vaders lot betreurt; Zag,door deSlotvoogd,zieh,(waar heerschte ooit dwangzucht fterker?}

In 's moeders afzijn uit zijn tedren arm gefcheurt. Een dil genoegen heerscht nu in de treurge wooning,

DeGroot voelt 't dreelend zoet van liefde en vriendfchap weêr 't Aanminnig licht van troost, die vleiende belooning

Der dille deugd, daalt nu met 't kwijnend fchijnzel neer. De Groot, wiens moed, wiens geest,voor altijd,fcheen te zinken,

Is door Maria's komst bij gloeiende oudermin , Door liefde en vreugd verrukt,'k zie 't drijvend oog weêr blinken,

Hoe klopt zijn hart, in d'arm der trouwde zielvriendin!— Nu meldt zij wie om hem, in 't kwijnend Holland treuren,

Wie zijne vrienden zijn; zij meld haar wislend lot; Zij zorgt dat Maurits fchlmp zijn ziel nietmoogverfcheuren,

Zij zwijgt, hoe wreed hij met heur beden heeft gefpot: Maar zegt, hoe zij vergeefsch haar vrijheid af blijft vergen;

Hoe 't onrecht dout de hand aan al haar goedren Haat;

F 5 Doch

Sluiten