Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9° HUG.ÖLdeGROO T.

Doch dat men Pronink heeft belet haar meer te tergen;

Het hooge Staatsgezach verbiedt hem hoon en fnwiad. Hij moet een ruim verblijf in 't flot gereed doen maaken

Daar zij, met 't teder kroost, den vrijen adem haalt, Een kundige arts mag voor haars Hugo's welvaard waaken

Dan, ach! haar vrijheid blijft nog door geweld bepaalt! Een fomhre wellust fH-mnt- H/->n>- ,mn,. ..„,.ui:;r ....

-v,,.j„t «vnn l naai vciunji lc zweeven

.j. ^iniig, /.ijii uieroren Droeoer ziet,

En trouwe vrienden , die 't genoegen doen herleeven,

Daar hen bewolkte hoop een kwijneud lagchjen biedt. Zoo rollen de uuren weg: hoe grieft hem telkens 'tfcheiden l

Zijn tedre moeder, aan de zorg haars zoons vertrouwt, Laat, met Amelia, zich weêr naar Delft geleiden,

Ik hoor nog de affcheids kusch die haare fmart ontvouwt.Geleerdheid doet geftaag haar lauwer beemden groenen,

De doodfche winter naakt, maar de achtbre wijsheid tart, Door ijvervuur ontvlamd, de wisling der faifoenen,

Geen vorst,die't vocht verfteent,heeft ooit haar vlucht benart. De Groot verlustigt zich in edle bezigheden; Nu fpreit de Godheid op 't papier haar hemelglans,

Mes*

Sluiten