Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i°6 HUGO T) e GROOT.

Doet vaak d' olijfgaard, op 't befneeuwde flaehveld bloeien 4

En Horrat dc vlakken weg, der vuUfte laster fmet. Dan, ach ! geen morgenglans van blij geluk zal rijzen , Geen welvaart nadren, voor 't verdrukte vaderland , Neen ! 't oorlogs monster word , terwijl natuur zal ijzen ,

6 Poesle lente ! haast ontkluistert door uw hand ! De Groots naauw lettend oog ziet al zijn hoop ontzinken ,

Hij was dus lang vergeefsch met 's Prinfen gunst gevleidt, Vaak hadt hij , in 't verfehict, verlosfing reeds zien blinken ,

Dan, ach! het bleek hij was door valfchen fchijn misleid. — „ Mijn God!" dus zucht hij vaak, ,,'k zal dan voor 't leed bezwijken,

„ Mijn leevcn zien verteert, in wreede flavernij , . ,i Doet gij niet vrijheids merk , in al wat ademt, blijken ?

„ Smeekt 't kleinlte wormpje niet: verniel! of, laat mij vrij! „ 'k Moet in dees kerker dan de dood ter uitkomst wachten 3

„ Door 't vaderland gehoond! gij kent mijn fchuldloos hart; „ Dit denkbeeld kan alléén mijn grievend leed verzachten ,

„ ó Laster! ach ! wat kost uw gif al boezemfmart! „ Gij kunt, in 't oog mijns Gods, mijn waarde nooit ontluistren, „ Maar 't denkbeeld: dat men mij een Landverrader noemt,

Dat

Sluiten