Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

122 fI Ü G O de GROOT,

Vliegt zij, zo vrolijk als de lieve lentemorgen,

In moeder's arm : „ ik weet dat vader haast vertrekt" (Dus (preekt het hupplend kind terwijl de gulle lagchjens

Bevallig dartlen in de roozengloed der jeugd ) „ Ik heb aan 't bed geweest; doch vader (laapt zo zachtjens,

„ Het naderend vertrek heeft vast zijn geest verheugd: „ Wat weêr het ook moog zijn, niets toch belet dit reisjen,

„ Ik heb dit in mijn (laap, doch 'k weet niet hoe, gehoord " „ Gij hebt dit dan gedroomd 1 (zegt moeder) vrolijk meisjen!

Daar dit verklaard geheim haar teder hart bekoord. — Kon nu een Hoogerbeets *t geluk zijn's vriends gevoelen,

Hoe fireclden 't nadrend heil dan zijn vriendfchaplijk hart I Hoe zou zijn trouwen raad mijn Hugo's nut bedoelen,

Daar dit verzachting fchonk, aan eigen boezem fmart! Ik zie de maan, voor 't laatst, in Hugo's kerker daalen,

't Vertoond hier alles nu 't aandqenelijkst toneel; Een fombre wellust kwijnt op weêrgekaatüe draaien,

En reine liefde maalt 't verteederenst tafreel. Hierzag de Groot het laatst zijn lieve telgjcns fpeelen, Niets van het nadrend lot dat op hen wacht bewust:

Hij

Sluiten