Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE ZANG. i2$

Hij drukt hen aan zijn hart, daar hij, bij 't fchuldloos ilreeleu,

De lieve vadernaam van roozenlipjens kuscht. De fluimring zweeft door't flot, op zwart fluwelen vleuglen s

Dan, fchoon haar loome hand reeds elk naar 't dons geleid s Niets kan de drift, het vuur der zuivre min beteugien ;

Hoe gloeit cn woelt de ziel door zaalge tederheid! De wenfchen fnellen reeds de vluchtige oogenblikken

Voor uit: het oog blijft op het uurwerk ftaag gevest; Elk uur, elk tijdflip döet het hart nog fierker tikken,

Daar telkens heimlijke angst de zoete hoop verpest. Maria's boezem zwoegt, door flingrende gedachten ; 1

Zo de aanflag word ontdekt, of zo dc vlucht gelukt, Zij kent haar Gaê, zij kent zijn flaauwe leevenskrachten;

Doch, telkens voelt zij zig door Jefus zorg verrukt. De Groot, geduurig in zig zeiven weggezonken,

Ziet nu eens het gevaar-, dat dreigend op hem wacht: Dan doet een hemelftraal, zijn hoop zijn moed ontfonken ,

God waakt toch, voor 't belang van hem en zijn genacht. Reeds ziet de ftille nacht zijn vaale wieken flrooien

Met kwijnend purper, 'k zie hoe hij vol majefteit,

Tei-

Sluiten