Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE ZANG. X*£

„Wanneer ons flapendftof is op Gods wenk verrezen,

Worde ik, van zon tot zon , aan uwe hand geleid. " — Een fombre ftilte heerscht thans in den doffen kerker,

De Item der liefde fmoort in zachte tederheên, Dc aandoenelijkfte traan fpreekt nu oneindig fterker,

Dan de uitgezochtfte taal; 't hart fweeft op fmeek gebeên, Het oogenblik rolt aan , met 't eind van hun verlangen ,

De fombre fchepping ftaart vol aandacht op dit uur, 't Licht, dat in wolken zwijmt, doed nog geen paercls hangen,,

Aan 't nevlig morgenkleed der fiddrende natuur; 'k Zie 't edel paar thans in elkanders arm geltrengclt,

Nog aarslend ftaard hun oog , op 't grootsch en floutbefluit, Gevoelvol oogenblik ! hunn' ziel fchijnd reeds verengeit,

En 't hevig fchokkend hart barst d' engen boezem uit. Hier huwt het godlijk Groot zig aan 't aandoenlijk teder;

Wat tegenftrijdigheên in 's aardelings bellaan ! Houd moed gelieven ! 'k zie een hemelrei daalt neder,

En ftrooid uw moeilijk pad met eden's rozenblaan! Ik zie de Groot, voor 't laatst, zijn gaê in de armen drukken ,

„ Mijn Hugo ! (llameldzij,) hoeveel gevoelt dit hart,

Hoé

Sluiten