Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'VIERDE ZANG. 129

Terwijl haar zachte hand , in die angstval'ge flippen ,

Al bevend, maar vol hoop , het Koffer langzaam fluit , Eeminlijkfté echtvriendin , 'k zie nóg uw tranen vloeien ,

Hoe grieft elk zuchtje mij! nóg drukt ze op 't koude flot, Haar lieve lippen , die door 't fnikkeud fchreien gloeien ,

Terwijl 't vertrouwend oog ftaart op der christnen God. Zij moet den dierbren fchat de dienstmaagd toevertrouwen ,

't Gulhartig meisje , nu vairalles onderricht, Haakt reeds om de uitkomst, wen zij weêrkcerd blij te ontvouwen,

„Hou moed (zegt ze,) 6 Mevrouw ik volg mijn wensch, en plicht,'* Terwijl de waarheid in den fchoot der list moet kwijnen,

Vleid zig Maria óp het donzig ledikant; Zij fchelt; en ziet eerlang een knecht van 't flot verfchijnen ,

Terwijl dc Groot's gewaad zelfs 't flauwst Vermoeden band, Zij houd zig of hij rust, en fluisterd als ontwakend,

Terwijl haar 't bedtgordijn voor de oogen houd bedekt, En dat haar kloppend hart, döor tedre driften blakend ,

Nu de óogenblikkcn ziet tot uuren uitgerekt: „ 't Ongunstig weêr belet mijn oogmerk deze morgen , „ Ik moest te Gorkum zijn ;' doch , Elsje is niet ligt bang;

1 » Zij

Sluiten