Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE ZANG. £3r Beroofd van hoop en troost, voor altyd op moest flappen ,

Ja 'k voel de flille vreugd die reeds zijn ziel geniet! Zijn weêrhelft hoorde reeds bij woeste krijgsman's vloeken,

't Is of de Arminiaan zelf in de Koffer waar, » Ja r> (rieP zij■> ) vrienden 't zijn Arminiaanfche boeken,

„ 'k Begrijp dit zelf, die zijn zoo ongelooflijk zwaar," Half ernst, half boertend hoord de Groot dit ftaag herhalen $

Hoe word het klamme zweet door angst hem afgeperst! Hoe pijnlijk hijgend moet zijn boezem adem halen!

Doch, 't geestig Elsje, dat zo gul als fchrander fchertst j Weet al den achterdocht bevallig af te weeren,

Zij wekt elks aandacht op , door jeugd en vrolijkheid, Ze ontmoet haar van de Velde, en voelt haar moed vermeeren 9-

Daar zij zich met de hoop der heerlijkst uitkomst vletd. Den dierbren last zo zwaar is eindlijk nu beneeden,

Men vraagd of't Koffer moet doorzocht, aan ProninksVröuw? Wat heeft dit oogenblik mijn Hugo's hart geleeden!

Dan de eeuwge God der min waakt voor zijn kroost getrouw» Hij die de geesten vormt, van flerflijke aardelingen,

Ziet elk gedachten , eer zij zich ontwikkeld heeft,

I * Dmt

Sluiten