Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V I E R D E ZANG. 133

Dan die in 't cngvcrblijf thans flcchts door 't flot moogftrclen ,

Nooit, vrije golven ! hebt ge een' eedier last getorscht J 'k Zie hollandswondcr, thans voor elks gezicht verborgen ,

Benevelt rijzen uit een aklig zwarte nacht, Zo dicht omfluierd, in een fombre lentemorgen ,

Terwijl Europa reeds den vollen luister wacht, ö Maaflroom ! eeuwig zal uw naam uw glorie rijzen ,

Zo lang gij hier dc Waal met zilvren lippen kuscht, En, ftuwent voortvloeit, juicht de vreugd op dankbrc wijzen ,

Deez' dag, daar vrijheid aan uw groenende oevers rust! De vlucht van mijn de Groot, word hier in 't golvend water,

Door blijde onfterflijkheid een regenboog gefticht , Waar langs de gulle vreugd, bij 't fchomleud ftroomgeklater,

Uit pcerelfchelpjes , fiijgt naar 't onbeneveld licht. Laat thans de golven vrij al tuimlend zeewaard rollen,

't Gewimpeld Vaartuig ftreeft al flingrend door den vloed, De winter, die nog korfs hier 't fchuim tot glas deedt flollen,

Woelt, fchoon hij worstlend voor de lente zwichten moet. Ja, fchoon verwoesting fchijnt uit 't noorden aan te brullen,

Gods eeuwge liefde fuist, in 't ftil vertrouwend hart,

I 3 De

Sluiten