Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE ZANG. 137

Het morgengoud begint door 't nevlig floers te gloeien ,

Haar ziel, die thans den fchoot der eenzaamheid verkiest, Huwt tedre fmeekgebeen aan dankbre boezem zuchten ,

Het blij ontwakend kroost vleit om een morgenzoen , En doet haar bange zorg door gulle lachjes vluchten ;

Hoe lief kan 't moederhart zijn zachtften trek voldoen! Hoe blij ziet ze op haar fchoot dc kleine liefling fpelen,

Die flaamlend vleiend haar in mollige armtjes boeit, Elk vrolijk blozend kind poogt haar vol vreugd te flrelen ,

Daar onfchuld , liefde en vree in tintlende oogjes gloeit. — Al lagchend huplen nu de lieve aanvalge kindren ,

Naar vaders rustbed om hem kusjes aan te biên , Dan moeder zegt, in fchijn , dat dit zijn flaap zou hindren ,

Dat vader hun van daag niet is in ftaat te zien. Hoe kwijnend ziet zij thans al de uuren flepend vluchten,

Nu zweeft zij in 't verblijf van 't fchuldloos dartiend kroost, Dan word haar hart geroerd door d' aklig bange zuchten ,

Der telg van Hoogerbeets ; zij bied haar minzaam troost, De vriendfchap, die zoo vaak Jofina kon bekoren («) ,

Ontvonkt haar tedre ziej, door eigen leed gedrukt,

I 5 Dan OOjozina, Dochter van den medengevangenLeidfchenPenfionaris

hogerbeets.

Sluiten