Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*3« HUGO de GROOT.

Dan telken-s doet een traan haar zachte Item verfmoren ,

Daar ftaage onzekerheid haar aan zig zelf'ontrukt. De Slotvoogdes doet haar wel 't middag voedzel bicden ,

Men waant dat Hugo in zijn fehrijfcel iets verricht, Geen fterfling vormde in 't flot een denkbeeld van ontvlieden;

Doch, zij geeft van de Velde alleen hiqr van bericht. Zij durft 't geliefd geheim 't vriendfchaplijk hart vertrouwen,

Hij bloost door vreugd; hij kent zijn jonge zielvriendin ; Hoe gloeit hij om haar weêr in zijnen arm te aanfehouwen!

De vrijheid van zijn heer is thans den prijs der min, Die Jongling , zoo oprecht zoo gul van aart en zeden,

Als vlug van geest, zoo trouw zoo fier als zacht van ziel, Reeds van zijn jeugd verliefd op ee'dle kundigheeden ,

Die Jongling was 't, die vroeg aan Hugo's oog beviel, Hij had hem zelfbij 't koor der achtbre vveetenfehappen ,

Hij had in Themis hof hem plechtig reeds geleid, •Eensbraave Jongling! zult gc in hollands rechtzaal flappen ,

DaaF gij voor 't heilig recht der kwijnende onfchuld pleit! Die Jongling hoort verrukt zijn heer's ontkoming melden ,

„Ach! (zegt hij,)'k volg eerlang, w^ie dient hem met dien drift,

„ Die

Sluiten