Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»4» HUGO i)i GROOT.

„„ Zoo mogen wij, eerlang, ons aardsch geluk verwachten,

„„Der kinderen heil en rust loone eens uw deugd en trouw!" „ 'k Zie (zegt Maria,) nu het daglicht vrolijk dalen,

„ Dit aklig Loeveftein is mij geen Kerker meer; „ Geen angst geen kouden fchrik zal om mijn rustbed' dwalen, I

„ Mijn echtgenoot is vrij, 'k omhels hem eenmaal weêr. „ Neen , liefdrijk God ! gij zult hem niet aan de aarde ontrukken;

„Welk denkbeeld! neen : ik gloei door zuivre dankbre vreugd, „ Hij zal mij hier niet aan 't Vernauwend hart meer drukken;

„ Het reinst genoegen loont zijn lang beknelde deugd." Een ftroom van zaligheid ftroomt nu op de oogenblikken,

De trouwfte weêrhelft toe , en doed al 't wreed verdriet, Het flauwfle denkbeeld zelfvan teegenfpoed verflikken,

Daar al wat haar omringt de zoetfle wellust biedt. De reinfte weelde , mag 't gefolterd hart nu ftrelcn ,

Haar wichtjens hupplen blij al ftaamlend om haar heen , Zij ziet hun's Vaders beeld in tintlende oogjens fpeclen ,

Hoe lacht elk kommerloos , door zorg noch angst beftrêen, Nooit zal deez grootfche dag in 't eeuwig Niet verfmooren : Zijn naam in 't groen Smaragd, van lente's zegekoets,

Door

Sluiten