Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE ZANG. 151

Hoe minzaam , (zegt zijn gaê) hoe gul deed hij u groeten , Ach, was zijne echtgenoot, mijn hartvriendin reeds vrij' „Hoe vrij dorst ze aan mijn zorg haar aardsch geluk vertrouwen!

„Ja, 'kken haar tedren aart, haar lief blijmoedig hart; „ Ach, dat dit grootsch beftaan, haar nimmer moog berouwen !

„ De vrijheid van haar vriend, verzacht haar wrede fmart. " Mijn Nimph! kies voor een poos het huisfelijk genoegen ,

Te wislen met den tocht van mijn ontkomen held; Een ftillen wellust doet zijn dankbre boezem zwoegen ,

Hij flapt vol vreugd aan land, door Laurens nog verzeld, Nu ziet hij al den angst en aklig donkre zorgen ,

Voor zijn vervolgers in de Merweflroom verfmoord, Terwijl de rozengloed van vrijheids lentemorgen ,

Door fombre uevlen heen, in 't hart aanminnig gloort; Dan, 't denkbeeld aan zijn gaê, de blijdfchap van zijn leven,

Bewolkt zijn geest: ,,'k liet haar in 's wreeden vijands macht" „ Ach, zucht 't angstvallig hart, dc wraak ten prooi gegeeven,

„ Zie ik welligt de flem, der reinfte deugd veracht! 5, Waar word in Nederland voor de onfchuld troost ge vondenOO? „ Het heilig wetboek, is door 't vuur der wraak verteerd;

K 4 De

00 Men merke toch op , dathier, en in alle dergelijke uitdrukingen, d» uicntersle karaktermatig, en volgens de ideën van haaren held fpreekt.

Sluiten