Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE ZANG. 153

Ï11 veiligheid naar 't feest der èeuWge miil geleien , '

Daar vrijheid's hand,den troon van 's waereles bouwheer vest . De Algoedheid wenkt, en een der vlugge hemelzooneh ,

Meld Barneveld uw heil, terwijl hij zegeviert, In de altijd groene fchauw, der vrije martelkroonen,

Waar meê Gods wolkkoets , op de olijfberg werdt verfïerti Verhemelde aardling, 't heil van uw natuurgenooten,

Van uw gefcheiden , door 't gordijn der ffiörflijkheid, Kan 't goddelijk gevoel van uw geluk vergrootcn,

Terwijl ge om 't dankaltaar de vredepalmen fpreidl De vriendfchap zingt den lof der godlijkc eigenfehappen ,

Haar galm, van fpheer tot fpheer gekaatst, verfmelt in 't Niet; Terwijl dc Seraphijns dc zilvren vleuglcn klappen ,

ó Barneveld! ik hoor 't vriendfchaplijk zegelied. Verbeelding! weggevoerd op wieken van gedachten,

Waar zweeft gij ? 't godlijk licht verbijfterd 't pinkend oog, 'k Streef 't (terflijk oord voorbij,dan,ach,mijn ziel! uw fchachten

Bereiken nauw den top , des blauwen wolkenboog. Wel aan, ik volg de Groot, in Brabands vruchtbre (treken !

Mijn Godsvriend ademt vrij: de fombre lentedag,

K 5 L

Sluiten