Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE ZANG, J59 Der bloeiende natuur, hoe danst op lagchende uuren,

De fchuldelooze vreugd , bij liefdens zuivrentoon ! De zon, die lang zijn oog met flauwe glansfen ftreelde,

Wen ze aan den middagboog haar gloende ftraalen fchonk; Terwijl haar gouden glans , flechts 't kwijnend fchijnfel deelde,

In 't akelig verblijf, ja, toen — toen was uw lonk, 6 Lieve vreugd der aard, als 't licht dat in de graaven,

Door de oudheid half vernielt, door 't puin zijn fchijnfel zend, Het vaal verderf ontrust, terwijl de dood zijn flaaven

Blijft kluistren , en geen angst voor bleeke fchimmcn kend. Die zon , mag nu voor 't oog mijn's edlen Christen's rijzen,

Zij lagcht in 't blozend oost, door zilvren lluiers aan, Hij hoorde in jonge fchaauw, Gods gunst en grootheid prijzen,

Gevederde onfchuld , juicht, langs zacht bebloemde pèflij. Zijn hart geniet al 't zoet, der tedre flervelingen ,

Hij gloeit door dankbre vreugd, 'k hoor hoe zijn ziel verrukt, In zwijgende eenzaamheid, flijgt boven aardfche kringen ;

Terwijl hij dus de fnaar tot 's hoogften glorie drukt:

Geduchte Schepper! die door 't wenk van uw vermogen , . Aan alles wat heiraat het heerlijkst aanzijn fchonk ,

„Het

Sluiten