Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V IJ F D E ZANG.

T^Jog eens praalt Loeveftein voor mijn befpiegelingen!

Bij de eerfte voetftap in het kwijnend vaderland, Uw zeege, ó heerschzucht! weet een tedre vrouw te ontwringen;

Uw ijsren keeten zwicht voor liefden's zachte hand! ó Loeveftein! 'k ontroer, daar 'k op uw wal blijf ftaaren 3

Een zwarte nevel, rijst uit's afgronds zwavelpoel, 'k Zie helfche monfters langs uw diepe grachten waaren,

Gij ftaat, al de eeuwen door, der volken vloek ten doel, 'k Zie blikfemende wraak, gints in een wolk van dampen,

Al dreigend zweven, 'k zie de toomelooze haat, Die woest een ftoet geleid van jammervolle rampen ,

Daar fpijt en wanhoop zig op zwarte boezems ftaat, Hoe zal de heerschzucht hier, door woede en nijd verwildert,

Haar vloek uitdondren, daar de onfehendbre huwlijksmin j Het tederst, 't zachtst tafreel, naast vloekgcdrochten fchildert,

Hier bast me een helhond aan gints lagcht een engelin f

L 3 Geen

Sluiten