Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V IJ F D E ZANG. 1C9

Jofina , uit wier mond-hij 't eerst de blijmaar hoorde ,

Omhelst hem nu verrukt, zijn Dochter, al zijn lust, Die al 't vermaak der jeugd, in 's Vaders Kerker fmoorde,

Schreid, daar de Grijzaard op haar tedren boezem rust, Zij fchreid verrukt door hoop , gegriefd do'or mcedcdoogen ;

„ Mijn Vader, (zegt ze) ach, dc Algoedheid hoor mijn zucht! „Vertrouwen wij ons lot, aan 'tliefdrijk Alvermoogen ;

„ Wie dacht, dat ooit de Groot deez hechtnis waar ontvlucht! „ 'k Voel nog de zachte vreugd , die in mijn boezem gloorde ,

,,'k Vraagde aan Mevrouw de Groot, wier oog door blijdfchap gloeit

Naar 't welzijn van haar gaê , toen ik dit antwoord hoorde,

,,„ Mijn Hugo is gezond, maar door de reis vermoeid, ,„ 'klleb reeds een brief" „ontroerdbleef nog mijn mond geflooten-,

„ Zij nam mij bij de hand, hoor (zegt ze minzaam) „, 't lot „, Mijn's echtgenoots , ik weet 't zal ook uw vreugd VergrooSsn,

,„ Mijn jonge hartvriendin , hij vlood van 't aklig flot, „, Antwerpen bied hem reeds befcherming in zijn muuren ,

„ Ik wacht geduldig hier der Staateu uitfpraak af, „, Hoe moedig zal mijn ziel, geweld en wraak verduuren,

„, Men geef dees' Kerker vrij, mijn leven tot een graf!'

L * «ïs

Sluiten