Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE ZANG. 171

Geen woefte tijger, in de Lijbiefche Woestijnen,

Brand meer door woede en wraak, wen zijn geroofden buit, Zijn klauwen word ontrukt, doet 's jager's macht hem kwijnen,

Daar een gepunte fpics, op long en hartair ftuit, Dan nu de dwinglandij, in men-schlijke gedrochten,

't Bloed kookt in de adren , wraak bepurpert 't woest glaat! Triumph ! zij die den val der moedige onfchuld zochten,

Zien hun gevloekt geweld, door tedre list verfmaad. Men blijft op Pronink, wien de zorg vertrouwd was, woeden!

Daar hij vol moed en drift, zijn onfchuld thans bepleit, Wie (zegt hij) kon een list, zoo Hout bedacht, vermoeden ?

Neen : nooit ontbrak het mij aan trouw en waakzaamheid, Ik liet geen fterfling toe, om af of aan te varen ,

Ten zij hij vrijheid van 's Lands Achtbre Staaten hadt, Ik deedt de trotfche Vrouw op 't allerftrengst bewaren ,

Dan, 't was uw last, zij moest zo vaak 't haar lust' naar ftad! Jk deedt met zorg en vlijt, al wat men bracht, doorzoeken!

Dan list, betooverde mijn zwakke gemalin, Zij geeft haar vrij gelei, Hechts aan een kist vol boeken,

En 's Lands verrader fchujlt wie denkt dit ooit hier in!

fit

Sluiten