Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE ZANG. 183 Nog bloeid de Godsdienst, hier bcfchauwt door rijksbelangen ,

Rochelle was nog vrij , 's lands heil zag blij en malsch, Vreugd - kunstmin - liefde en vlijt,haar aan den boezem hangen,

Nantes! hadt gij nooit de ketens voor den hals, Der vrije Godsdienst, tot 's Lands wis bederf, zien fmeedcn,

Dan had geen vaal gebrek ooit van 't verwoeste veld, Den kommervollen angst, naar uw ontvolkte fteeden

Gevoert, dan was uw ramp nooit aan uw kroost gemeld! De Groot mag eiken dag op nieuwe glorie roemen,

Zijn vrijen geest verheft zig boven 't ftoflijk oord, De vriendfchap ftrooit zijn paan met eeuwge lente bloemen ,

Terwijl zijn naam in 't koor der hemelwijsheid gloort, Uier klinkt zijn heiige lier op hooggeftemdc nooten, Hier volgt de Dichtrei hem met fchelle toonen na, Ja, dierbaar Koffer, dat mijn Christen hieldt beflooten!

Gij leeft in zijn gezang, naast de eer der trouwfte gaê. Mijn Vaderland! gij hoord ook de onverwelkbre glorie ,

Der fchoone Reigersberge op grootfche wijs geroemd, Van Vondel! morgenftar in Nederlandsch historie,

Gij die zoo vaak den dwang der trotscheid hebt gedoemd ,

m 4 Gii

Sluiten