Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*W HÜGO ce GROOT*

pan 't lust mijn nimph niet meer in 't dal des doods te zingen.,

Daar zwarte fchaduwen, op wolken van 't verderf, Al domlend zweeven en eikanderen verdringen ,

Mijn Gocl! dat uw glans mij Voof ftraal, als ik fterf! 'k Zal thans de vreugd , de troost Van mijn de Groot geleiden,

Naar 't rijk, dat haaren vriend een vrije fchuilplaats fchenkt, De bruine zomer lagcht op Delfts bebloemde weiden,

Daar hij de vette room uit fchuimende emmers drenkt, Zij wiet verheven geest, zoo edel zoo grootmoedig,

Zoo meedelijdend deelt in 't lot van 't wisflend ftof , Staard op de zegekroon, die eens haar borg zoo bloedig,

Won, toen hij zegepraalde op Satan's jammerhof, Zij voelt haar boezem thans door nieuwe vonken blaken T

Door reine vonken van ontgloeide huwlijksmin, Zij blijft vol mo ed en trouw haar Hugo's heil bewaken ,

Hoe treft haar't waar belang van haar geliefd gezin: Elkbfad, dat ze uit de hand haar's echtvriends mag ontfangen ,

Vertedert 't edel hart, en fterkt haar grootfchen moed; Dan elke regel wekt ook 't neigende verlangen,

Hoe haakt ze elk oogenblik naar 't zielverrukkendst zoet,

Naar

Sluiten