Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE ZANG. 295

Naar't zalig oogenblik, dat, na een reeks van zorgen ,

En tegenfpoeden haar in 's lieflings armen voert! 'k Zie, hoe de hoop, als 't licht des fchoonflen zomermorgen,

In 't vleiendst zachtst verfchiet, 't beminnend hart ontroerd j Dan nog eischt zijn belang in 't Vaderland haar' ijver,

En onverWrikbre ffioed, hoe pleit zij Voor zijn-recht! Span! tedre Zangeres! fpan hier uwfnaaren Itijver,

'k Zie door ondankbaarheid, de deugd hier troost ontzegt 5 Hoe doet haar bil'ken eisch de laage fchraapzucht bloozen,

'k Hoor hoe ze in Rotte's vest het loon der Staatszorg vergt, 'k Hoor haar in Hollands raad beklemde zuchten loozen,

Terwijl geweld en haat haar fchimpcnd hooiid en tergt, Intusfchen blijft de Groot zig elke dag fteeds vleien,

Met 't dierbaarst voorwerp aan zijn zwoegend harttë zien, Geen voorfpoed, geen geluk, geen vreugd der hoofdfche reien -a.

Kan hem den waren troost in 't eenzaam zwerven bién. 'i Doorfchijnend flüie'r, iugt van fpinrag zaamgeweeven 9

Bedauwt door 't klamme' zweet der zwijmende natuur , Had 't lagchende gelaat der fchepping reeds cfngeeven s

De fluimring naderde, op elk vluchtig rollend unr ?

N a De

Sluiten