Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE ZANG. 201

De grijze Jeanin , is begeerig haar te nanfchoüwCri ,

De Groot, moet aan zijn vriend, de jonge fchoone bién J ,,'kMoet(zegt de Grijzaard)haar aan wien gc u dorst vertrouwen

„Het lentebloemtje , dat uw vrijheid waasemt, zien." Hij ziet zig daaglijks door de zoetfte vriendfchap ftreelen,

De vriendfchap , eens gevest op Hollandsch vrijen grond, Doed hem , belangrijk, nog in vreugde en lijden deelen , , Van elk, wie ooit vermaak in de eer van 't menschdom vondt,Nu doed eens Voszius hem dc ccllte troost ontfangen ,

Dan fchenkt Herpenius, Schriverus of Maurier, Door fchrift voldoening , aan zijn uitgerekt verlangen

Dc broeder van zijn gaê , zoo fchrander, trouw als fier, Meld hem geduurig, 't lot der trotfche dwingelanden ,

En maalt hem 't Staatsgeheim met grootfche kleuren af, Terwijl hem dagelijks de kracht der teêrfte banden

Van Bloedverwantfchap vreugde en lTillen wellust gaf. Geen ftaatszorg boeit zijn géést, zoo vrij - zoo onbekommert,

Geniet hij 't vreedzaam heil, dat vlijtige oefening bied, — Zijn voorfpoed, door de zorg der vriendfchap Haag belommert,

Bloeit wcelig, - dan, eerlang, doet huisfelijk verdriet,

N 5 ' Al

Sluiten