Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

soa HUGO de GROOT.

Al de aardfche zaligheid door doodlijke angst verflikken,

Een heir van kwalen valt den vriend der godheid aan, De pijnelijkfle fmart zweeft nu op de oogenblikken,

En voert, zoo 't fchijnt, mijn held aan 't eind der levensbaan.Door kwelling lang vermoeid, zijn de afgematte krachten

Niet meer gefchikt, om 't woeu der pijn , op 't logge dons, Te tarten, — dan, Gods gunst, hoordal de jammerklachten

Der liefde, - Levensvorst! toon - toon uw trouw aan ons!..» Aan ons , die neergeknield, u om befcherming fmeeken !.. .

Dus zucht zijn echtvriendin , — terwijl hij fluimrend rust, Doch ras ontwaekt,— nu fchijnt zijn liefdrijk oog te breeken ,

Hij voeJt zig in den arm der lieffte gaê gekuscht, Terwijl zijn telgjes om het veege ziekbed fchreien,

Zij ftreclen 't klamme zweet met zachte handjes af, En blijven fuikkend hem met tedre namen vleien ,

Met namen , die alken de reinfte teêrheid gaf.... De fchicht des doods verftompt op zijn beklemden boezem ,

Terwijl hem 't leven, met een fchild van roozeblaan , Verdedigd, 't gloeiend gif der kwalen dat het bloezem ,

Der welvaart zengt, verdooft, in liefden's tedre traan.

Ik

Sluiten