Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZESDE ZANG. De ondankbaarheid , geteek in 's duivels gloênde poelen,

Treet aan het Franfche Hof in Priesterlijk gewaat, En doet de Medicis haar helfche wreedheid voelen ,

De purpren hoed befchauwt het nooit ontroerd gelaat, Het hart fints lang verfleent, doet door geen fchaamte de adren 5

Meer zwellen , Richeljeu in Staatslist uitgeleerd, Durft moedig tot den troon des jongen konings nadren,

Daar hij den fchepter meer dan 't kerkbewind waardeerd. Zijn oogmerk moet bereikt, zijn ftaatsgezach moet klimmen ,

Hij wind allengs de gunst van goeden Lodewijk, Hij doed zijn glorie reeds van achter de Alpen glimmen ,

Daar hij het oorlogsvuur beftuurd, tot roem van 't rijk , o Frankrijk! 'k fchuw vol angst dien chaos uwer twisten ,

'k Zie 't hof ver wart, natuur in 't zwoegend hart verfmoord, Gevoelig offert hier elk edeldenkend Christen ,

Een traan daar zij de ftem der menscheid ftaamlend hoort. ' k Zie hier een Koningin van kroon en troon verltooten ,

Een Zoon, te wreed misleid, vertrapt het hijgend hart Waar onder hij met zorg met al zijn kroongenooten,

Gedragen werd, wat angst! — wat wrede boezemfmart!

Vors-

Sluiten