Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZESDE ZANG. 233 Hij fterft, geen lauwerkrans befchauwt zijn bloinde wonden,

Hij fterft op 't lauwe dons , door fmart verzwakt, verflauwt, Zijn krijgsroem word alom verbreid , door duizend monden ,

Daar 't klamme doodzweet wreed 't gemarteld lijk bedauwt. Mijn Hugo boort zijn dood; ontroering fluit zijn lippen ,

Dien Mauritz , eertijds pens zijn vriend, is tbans niet meer , Hij laat een ftille zucht aan 't kloppend hart ontglippen

En ftaart op 't wijs bcftel van 's waerclds Opperheer. Prins Fredrik, onder 't hart van Colignij gedraagen ,

Dat hart, dat voor de deugd, zoo vrij, zoo ijyrig pleit, Zal nu de morgenglans Van 's Lands geluk doen daagen ,

Reeds lagcht de blijde hoop , door 't zoet der rust gevleid ; Verdraagzaamheidkeerd weêr, in Hollandsch zachte ftrecken ,

Vervolgzucht word geboeit, daar vrijheid weêr herleeft, Beminlijke eendracht, lang 't gefolterd oord ontweeken ,

Daalt, daar ze om Vrijheids Speer een mirthenkransje weeft, Nu fchept de vriendfchap moed, haar pijnigend verlangen ,

Waant zij op 't zaligst reeds door Hugo's komst voldaan , Verbeelding doet hem reeds door 't minnend hart ontfangen ,

Ja, ftille hoop lagcht blij mijn edlen Christen aan.

p ^ Prins

Sluiten