Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZESDE ZANG, *37

Zij haakt vol tedre drift reeds om een oord te ontvlieden,

Waar geen gerechtigheid voor weêrloozc onfchuld waakt, Ik zie haar de afcheidskusch aan dierbre vrienden bieden ,

Terwijl haar boezem door het zoetst verlangen blaakt, Naar Walchren, daar wel eer haar fchoonfle lentejaaren

Ontlooken;'k volg haar,'k tree met haar langs 't vruchtbaar land Dat bloeiend worsteld met de tuimelende baaren ,

Daar fterkte en veiligheid zich vest in 't Huivend zand. De vriendfchap treed haar gul uit Zeelands hoofdflad teegen,

Zij word verrukt begroet, door elk wie deugd waardeert, Elk fmeekt Voor haar de keur van 's Hemels liefde en zeegen ,

Daar vrijheid haar vriendin in Zeelands glorie eert, Het vaartuig dobbert reeds belaaden op de ftroomen,

Voor 't moedig Middelburg, dat Hugo's Gaêde eerlang Naar Frankrijk voeren zou , niets doet mijn fiere fchroomen,

De Franfche Vlag befchut haar ftout, voor fpanjen's dwang. De blijde morgen daagt, die 't fcheiclensuur bepaalde,

De zon had reeds natuur met paerelen beflrooit, Daar zij metroozengloed op zilvren duinen ftraalde, En blauwe golven had met fchittrend fchuim getooit,

Toen

Sluiten