Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•3* HUGO de GROOT.

Toen de allertrouwde Gaê vol zielenangst ontwaakte,

Geen vreugd draalt m et het licht in 't treurig kwijnend oog , 't Zachtaartig Elsje, dat door reine vriendfchap blaakte,

Voor haar meestres, die vaak heur ziel tot vreugd bewoog , Leest ras de boezemfmart, in al Maria's trekken, Zij vleid de reeden haar van die verandring af, „ Wat (vraagt ze,) kan dien rouw thans in uw boezem wekken %

„ Ach! (zegt ze,) 'kzag deez nacht een aklig gaapend graf, ,, Ik zag de bleeke dood een offer derwaarts leiden ,

„ En ach ! ditofferwas de wellust mijnerziel! „ Mijn Hugo zag zig reeds de blauwe doodverw fpreiden ,

„ Terwijl hij rillend in mijn bevende armen viel; „Mij dunkt,'k zie nog zijn angst,'k hoor nog zijn jongde fnikken!

,,'k Ontwaakte,'t kloppend hart zwoegd in deeze enge borst, „ Elk fluimrig oogenblik, deed mij op nieuw weêr fchrikken, „ Word dit mijn geest gemeld , door 's leevens Glorievorst, „ Of is 't verbeelding flechts , die fombere tafreelen

„ Afteekent, wen zij vrij van al 't zintuiglijk werkt ? " Vergeefsch poogt haar de Maagd met zachten troost te dreelen, Daar niets haar lijdend hart, in 't grievendst leed verderkt. '

Al-

Sluiten