Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEVENDE ZANG, 551

De fchoonst bedachtfte taal zegt minder dan uw zwijgen,

Een afgebrookcn woord, een lang verkropte zucht, Die onuitdrukbre vreugd, 't frerkkloppend hart doet bijgen,

Dat overftelpt door vreugd als uit den boezem vlucht, Dit, ó natuur, dit zijn uw altijd kenbre merken ,

De moeder van de Groot, befwijmt door tedre vreugd, Zou 't zoet haar 's levens thans haar wisfen dood bewerken ,

Hij knelt haar aan zijn hart, 6 leidsvrouw van mijn jeugd, Mijn dierbre (zegt hij) neen God zal me uw leven fchenken ,

Zij opent 't kwijnend oog, verzamelt al haar kracht, Ze omhelst haar' Zoon , verrukt daar 't zaligde herdenken ,

Haar lang verwelkt geluk geleden fmart verzacht. Elk valt hem om den hals, hier fnelt een dierbre Zuster

Hem met haar fpeelend kroost al juichend te gemoet; Terwijl zijn Broeder hem in Delft nu veel geruster,

Dan ooit in 't vreemd gewest, in fpijt der wraakzucht groet, Ik zie een' vriendendrom vol vreugd elkaar verdringen,

Elk haakt om hem te zien , elk zucht en juicht en fchreit, Nu daalt een luchte wolk met zaalge hemellingen,

Hier zien zij 't heiligdom van 's aardlings tederheid;

Öan,

Sluiten