Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iöo HUGO de GROOT.

De zachte luister, die elk blad ftaêg blijf verzeilen ,

Waar op mijn Hugo's naam met hcldrc kleuren pronkt, Doet nog menschlievendheid den dankbren boezem zwellem,

Daar zij den waaren moed en heldendeugd ontvonkt: Maria mag verrukt haar dierbren echtvriend ftreelen;

Hoe gloort haar dankbre ziel in 't vrolijk vleiend oog ! Ik zie 't aanvalHgst fchoon in blijde trekken fpeelen ,

Terwijl geen wolk van angst meer 't lief gelaat omtoog. Daar wordt hij ingeleid in Mentz beroemde muuren,

Waar zig het opperhoofd van Zweedens raad bevond , Dat hier de woeste drift des oorlogs blijft befhmren,

En waakte voor 't belang van Rijk en Staatsverbond. De Groot, als afgezant naar Frankrijk afgevaardigd,

Ontvangt den hoogen last hier aan zijn zorg vertrouwd; Hij, met de vrieudfehap van 's Rijks opperhoofd verwaardigd ,

Wordt reeds door't hopend volk als't heil desStaats befchouwd. Bewondrende eerbied houdt mijne aandacht opgetoogen ,

6 Onbeftendigheid ! 6 wieg van 's fterflings lot! Befchaduwd door de hand van 't eeuwig Alvermogen ,

Dat met het nietig plan des trotfehen aardlings fpot:

De

Sluiten