Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

n6z HUGO de GROOT.

Maar moedige onfchuld ziet hier de uchtendglansfenbloozen,

Der eeuwge glorie, die door't floers der ftcrfiijkheid, Als door een luchten wolk, den gloed der lenteroozen ,

Voor 't fchreiend oog der deugd, hoe diep vernederd, fpreidt: De Groot, nu boven 't leed der dwinglandij verhecven,

Smeekt de Almagt om 't geluk der tedre Koningin : Nu fmaakt hij weêr al 't zoet van 't onbekommerd leven :

Hoe vaak wijkt flaatszorg voor de zachte huwlijksmin I Dan de onbeltendigheid blijft om zijn wooning rollen ;

't Genoegen vlucht al rasch voor fombre treurigheid; Straks ziet hij 't jeugdig bloed in kronklcnde adren ftollen;

Straks wordt een dierbre telg door mijn' dc Groot befchreid! Een maagd, zoo jong, zoo fchoon, in 's levens lentejaaren,

Wordt door den dood ontrukt aan 't bevend huisgezin; Alleen de godsdienst kan den wreedflen rouw bedaaren;

Mijn Hugo ziet de fmart dertederfle echtvriendin ; Zijn lijden wordt verzwaard door moederlijke traanen,

Die fnlkkend vloeien op haar vreedzaam fluimrend kind: Qod wil haar vroeg den weg door 't zwarte doosdal baanen :

„ Mijn Helling! (zegt de Groot,) Hij heeft haar jeugd bemind:

J5 Uw

Sluiten