Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEEVENDE ZANG. &rt

„ Uw Godgeleerdheid houdt mijn aandacht opgctoogen ,

„ Gij toont mijn oog den glans van 't vaak beneveld recht, „UwDichtkunst voertmijn ziel door lucht en wolkenboogen ,

„ Al wat gij fchrijft heb ik mijne eerbied toegezegd; ,, Uw reine vriendfchap moet mijn tedre jeugd belommren;

,, De Groot! gij ziet in mij een jonge hartvriendin ; „ Leef hier met Gade en Kroost; geen zorg moete u bekommren ;

Vertrouw u vrij en blij aan Zweedeus Koningin! " Die taal kan 't dankbaar hart mijns Christen doen ontvonken ;

Dan, daar de tedre zucht voor 't Vaderland ontwaakt, Is alles vruchtloos, fchoon haar vriendfchap , hem gefchonken 3

Met zachte erkentnis in zijn tedren boezem blaakt. Ik zie hem dagelijks op zijne ontflaging dringen,

Daar, door dit uitflcl daêg de zoete hoop vcrfpreidt, Dat Zweeden met den roem der eerde dervelingcn,

Vereerd zal blijven; dan, daar niets zijn aandacht vleit, Niets hem bekoort, durft hij de vlucht in 't heimlijk waagen;

Dc fchoone hoofddad wijkt reeds uit zijn daarend oog; Christina hoort die drift, draks word haarvriend ontflaagen,

Schoon zijn verhaaste reis 't vriendfchaplijk hart bewoog.

Zij

Sluiten