Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEEVENDE ZANG. 275

Het kleine Rostok, dat zijn' naam door Hugo's glorie,

Alom ziet fchittren , waar men *t fterfbed van de deugd, Met grootfche verwen maalt in 's ftervelings historie,

Ontfluit zijn zwakke vest: 'k zie Hugo's hart verheugd, Terwijl 't na rust verlangt; ja, de Afgezant van Zweeden ,

Kiest hier een ftil verblijf, om zijn verflaauwde kracht, Door rust en trouwe hulp en vuurge fmeekgebeden,

Waar 't mooglijk nog te zien in voorgen fland gebragt: Maar welk gezicht! de dood verwt reeds zijn bleeke lippen ,

De jonge Reigersberg, door kille fchrik ontroerd, Laat de akeligfle klagt, 't gefolterd hart ontglippen 5

Geen Arts bied langer hulp ; zijn geest, reeds opgevoerd, Uit d'aardfchen kring, fchijnt nog in 't ftervend ftof te keeren ,

Nog blaakt de tedre drift voor 't voorwerp van zijn min: *, Ach (zucht hij) groote God ! gij blijft 't heel- al regeeren ,

,, Gij zult de traanen zien der ftoflijke engelin:

Mijn telgen blijf ik vrij uw' vaderzorg vertrouwen,

„ Ach, dat uw liefde thans mijn breekend hart ontvonk'!

Slechts nog een oogenblik en 'k zal den glans aanfchouweti, „Die gij aan't kroost der deugd in't oord der blydfchap fchonk.5* §3 ^

Sluiten