Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEEVENDE ZANG. 9?j Pe Groot door 's leevensbopm in Edens beemd belommerd ,

Ziet zig door Goëls bloed met godlijk fchoon getooid, Daar hij in 't Paradijs , nu voor geen Hang bekommerd ,

Op malfche roozen rust door Seraphs blij geftrooid. Waar heên mijn Nimph ! het oord der vrije hemellingen,

Is nog door 't Itcrfgordijn aan 't ftaarend oog ontrukt: 'k Zie Hugo's fluimrend lijk door fmart en rouw omringen ;

Nog woedt men op zijn asch; zijn deugd, te wreed verdrukt,. Nog fnood gelasterd; 'k zie nog pas zijne ingewanden,

Ter vrije rustplaats hier in Rostok's kerk gewijd, Of wreede ketterhaat doet d'ouden wrok ontbranden,

Daar de oefenende jeugd vol moeds dien haatbeftrijdt. Zijn lijk, gebalfemd , word naar Hollandsch oord gezonden ,

Daar't vrij in 't prinslijkDelft ten trotsch desDwinglands rust: Geen helfche laster heeft zijn' eernaam ooit gefchonden,

Geen tijdltroom , die den glans van eeuwgen glorie bluscht; Hij fluimert veilig voor 't gewoel der Staatsorkaanenj

ó Delft! ik word verrukt; uw zucht voor kunde en deugd, Uw tedre erkentnis vergt de aandoenelijklle traanen ,

Gij hebt zijn graf verfierd tot 's braaven troost en vreugd.

S 3 'k Zie

Sluiten