Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24 MARIA VAN REIGERSBERGEN,

Aan my zal 't daarna (taan zyn vonnis uit te Ipreken :

Hy leev' dan voor den prins, maar nimmermeer voor my. Een prins die enkel pleit met ruiters en foldaten,

Die Barneveld, de groot en Hogerbeets bedroog, De vryheid werpt in 't zand , en Hollands eedle (laten

Veranderde , en een rot dat op zyn wenken vloog Heeft in de plaats geftelt, daar rechters uit durft kiezen,

Wier hart Toledoos woede en Vargas laagheid heeft, Wier uitfpraak, ('s prinfen wil!) het leven doet verliezen,

Of wreed de vryheid rooft, aan wat den prins weêrflreeft j Ik zeg, een prins zo groot, zo menschlyk , zo rechtvaardig,

Omringd, gevleid , gediend van zulk een' vrindenftoet, Is , by die vrindenrei, noch zagt één halsvrind waardig,

Die zich ontè'ert, wiens hoofd door fmeeken is behoed. Hiermeê nu heeft uw gade al 't hofgebroed verzonden ,

Dat gaarn', den prins ten diende , u zo verr' zag gebragt, Dat door uw gade zelf uw glori wierd gefchonden ;

Want zo zy voor u fmeekt, zyt gy by 't volk verdacht. | Hoe :t zy, men fielt in u een laffe zucht voor 't leven;

M^itblykt, want, inderdaad, ondanks myn fcherpe taal, Men heeft tot dit gefchrift de vryheid my gegeven, Op hoop dat u myn drang tot laagheid overhaal'. Die Helling dat gc als fchelm het leven zoud verkiezen,

Die hoop dat door myn' drang de hofwensch word' vervuld,.., Die (telling en die hoop doen my 't geduld verliezen !

Jk brand van toorn'! dien gy gewis niet doemen zult,

Gy

Sluiten