Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MAG D. MOONS, AAN DON FR. DE VALDEZ. 49

Maar, neen! geen onderwerp kan ooit mishaaglyk wezen,

Dat uit den veder vloeit van haar die 't hart gebied, Of 't moest afkeerigheid aan 't minnend hart doen vreezen;

Maar tl voeden van die vreet is 't wit myns fchryvens niet. Het word u noch, ó held! in uwe keur gegeven,

(Een Nederlandfche vrouw laat 's minnaars keuze vry,) Of gy verkiest voor Moons, of zonder Moons tc leven.

Licht, gist gy welk een keur haar de aangennamfte zy! Gy weet het Neêrlandvch hart is niet gefchikt tot veinzen:

Waar de eer de oprechtheid vergt ten dienst van't vaderland, Daar kent myn landaart nooit de fmooring van gepeinzen;

Dit rekent ons geen volk dat edel denkt tot fchand'. Gy zult, eer ik my uit, dit is myn hoop, gehengen ,

Dat ik "t gene is gebeurd toen gy van liefde fpraakt, En ik u dit vergunde, u moog' te binnen brengen,

Benevens 't geen die liefde, en onzen toefiand, raakt, "t Valt hard te zyn genoopt een' ftaatsman aan te dryven,

Dat hy, als man van eer, 't bezworen woord voldoe, Noch harder 't doen zyns pligts hem vóór te moeten fchryven ;

Maar't gene ik van u hoore.ö Valdez! dwingt me'er toe. Herrinner u het uur waarin gy, 't veld ontweken ,

Waarop ge, uit wreeden pligt, myn vaderftad bevecht, U niet weêrhouden kost my van dien gloed te fpreken,

Die overal u volgt, zo gy de waarheid zegt. Verwonderd door een liefde uit uwen mond te hooren,

Daar ik tot volk behoor welks wisfen ondergang

D De

Sluiten