Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AAN DON FRANCISCUS DE VALDEZ. 5r

Hoe ftond het moedig hart des oorlogsmans verflagen,

Die honderdmaal in 't veld de dood niet vreeslyk vond, Op 't hooren van een taal die, hoe ze ook mogt mishagen,

In 't eind' bekoorlyk was uit eener maagden mond! »t Is der verliefden aart dat, na de ftrengfte drukking

Vanfmart, Cde vrucht van't zien dat iets hen tegenloopt,) De hoop verflagenheid verjaagt door vreugdverrukking...

Geen fterveling begéért, die geen verkryging hoopt! Myn Moons! dus borst gy uit, ik moet ronduit verklaren,

Dat gy myn hart verrukt, daar gy het flaat met pyn: Zo veel fcherpzinnigheid is boven uwe jaren;

Is dus de minnares, wat zal de gade ééns zyn! Uw fchrander oog doorziet de ware zwarigheden,

Verknocht aan 't groote ontwerp dat Valdez voor durft flaan; Word uw bekoorlykheid door Valdez aangebeden,

Zyn hart aanbid uw' geest noch eindloos meerder aanl Doch, zo ik hoop, eerlang Geneester myner fmarten!

Waar is ooit één gevaar dat niet op zeker uur, Met een gewenscht gevolg, met roem! is uit te tarten,

Als fchranderheid, of moed, zich voegt by 't liefdevuur? Za gy aan Valdez bede een gunftig oor wilt leenen,

De liefde ftort zyn hart een heilryk middel in: Op 't vrindlykst kunnen zich zyn liefde en pligt veréénen;

Ik kan myn hof voldoen, en haar die ik bemin. Myn pligt, ontwyffelbaar! is Leyden te doen bukken,

De liefde eischt door uw' mond dat ik uw Leiden fpaar's D a WeU

Sluiten