Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

62 LODEWYK VAN NASSAU,

„ Myn bode zal misfchien deez' dag noch ftadwaarts komen;

,, Gy waart me altyd getrouw, blyft noch onwankelbaar! „ Doch zo gy wilt beltaan wat gy hebt voorgenomen,

,, Ziet hier wat Lodewyk befchut voor lyfsgevaar." Toen rukte ik 't brandend lont uit mynen dienaars handen,

Ontblootte éénsflags het vuur voor 's muitelings gezigt. Het volk Hoof achterwaarts, zodra 't de lont zag branden ,

En hield een fiddrend oog op myne vuist gericht, 't Gelaat, door toorn' gegloeid, met vuurkleur overtogen,

Wierd ylings paers en bleek, door de infpraak van den fchrik. Ik zag en kaak en knie door fiddring fel bewogen;

Straks maakte ik myn gebruik van zulk een oogenblik. „ Dit vuur," vervolgde ik toen, „zal Lodewyk behoeden, Eén flap flechts voorwaarts flcekt de ftof des blikfems aan! Toen rees's volks haïr te berge,) „ en voor't bloeddorstig woeden

„ Van Alva en zyn rot, en uw vloekwaard' beflaan. „ Door met één zwaai alleen dit buskruid aan te fteken,

„ Zal Lodewyk, opwicnge, ondankbre hoop! durftwoên, „ U ftraffen, redden, en zichzelven roemryk wreken,

„ En dus zyn' pligt en wraak op éénen flond voldoen." Ziedaar den beerenzwerm éénsflags myn oog ontvlogen!

Een onbefchryfbare angst was op elks aangezigt: De meesten floegen fors de handen voor hunne oogen.

De vrees dreef hen te rug, maar niet tot hunren pligt. Men fchreeuwt, men raast, men tiert, men woelt, als uitgelaten,

Genoegfaam geen gezag weêrflaat den overmoed ,

Het

Sluiten