Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 3 )

EERSTE HOOFDDEEL.

Eigenliefde is , in. den mensch, als ztnlyk wezen btjchouwd , het enige beginzel -van werking, waar toe alle zyne neigingen en haftslogten kunnen ge. bragt worden.

De mensch is een zinlyk wezen , en als zodanig, vatbaar om door voorwerpen buiten zig te worden aangedaan, en daar door indrukken te ontvangen. Men noemt dit de uitwendige zinIvkheid ; ter onderfcheidinge van de inwendige, door welke wy den toeftand onzer eigen ziel ondervinden.

Als zinlyk wezen, heeft de mensch zinlyke behoeften , en by gevolg , ook zinlyke begeerten, of (mag ik my dus uitdrukken ?) een zinlyken wil, welke door gevoel van lust of onlust bepaald wordt , om het ene te begeren , en van het andere zig aftewenden. (*) Het kan den mensch

dus

(*) Sommigen maken onderfebeid tusfehen begeren en willen. Het eerfte , zeggen zy , is zinlyk , het andere redelyk. De wil is dan het vermogen , om zig zeiven te bepalen , ter voldoening of niet — voldoening van ene- bpgeerte , dat is , van enen eisch der zinlvke natuur. Begeren zal dan zyn,, bepaald worden door gevoel van lust of onlust." hy daA a d«n

Sluiten