Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 22 ')

Deze zuivere, geheel redelyke, goed willigheid is , derhalve , ene gezindheid , om beftendiglyk zo te handelen , dat men de menschheid , in den perfoon van elk ander mensch, zo wel als in zyn eigen perfoon, alj oogmerk , nimmer als blooi middel, gebruike, (*) en dus zyne pligten , omtrend anderen , en zig zeiven , uhöefene , niet uit hoofde van enig zinlyk , daar mede verbonden , belang, maar alleen , om dat de rede dit, van voren, zonder opzigt op neigingen , als volftrekt (of op zig zeiver.) goed, en ge. volghk als practisch noodzakelyh , inziet : met andere woorden , uit loutere achting voor de wet der zuivere rede , welke aan alle redelyke wezens gebiedt, zo te handelen, dat de maxime, of practifche leefregel van hunnen wil , altyd, tevens als beginzel ener algemene wet, zoude kunnen gebillykt worden. Overcenkomftiglyk dezen grondregel , die op de form der zuivere practifche rede berust, zig in zyne daden te bepalen, en, derhalve, om zyn eigen ik , nooit anderen , om anderen, nooit zig zeiven, om den enkelen , nooit het geheel , en om het geheel , nooit den enkelen mensch te vergeten — zie daar het geen de zuivere goedwilligheid uitmaakt!

In

(fj Grundleg. zur Mclciph. S 66.

Sluiten