Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 39 J

dan zyne fynere neigingen bevredigen , in het bezit te zyn van het geen wy heiligheid noemen^

Een weinig nadenken leert, dat empirisrnus tot zedelyke dwepery heen leidt: en ach ! hoe gemaklyk kan deze in myfticismus der practifche rede (gelyk kamt /preekt) overgaan , en den mensch zig zeiven doen verliezen in theo. fophifche dromen , waar door hy bovenzinlyke voorftellingen , ten grondflage der toepashng van zedelyke begrippen , legt \

Oppervlakkiglyk befchouwd, luidt het, buiten twyfel, zeer fraay , uit loutere menjchenliefde , weltedoen, uit zucht tot order, regtvaardïg te zyn, of, gelyk zen o's leerlingen zig uitdrukten, de deugd , om haar zelve, te beminnen. (*) Maar dit, £> mensch! is, waarlyk, uw ftandpunt niet, in dit aardfche leven. Wy zyn, in den dienst, gene vrywilligers, aan welker keuze het ftaan zoude, al '—of met, _ te dienen. Neen: om dat wy rede bezitten , daarom ftaan wy, onmiddellyk, onder de heiligfte verpligting, om , te

(*) Deze grootfche uitdrukking betekent, wel bezien, anders niet, dan de deagd te beminnen , om het genoegen , welk zy den betrachter aanbrengt. Kakt Cnt. der pr. Fern. S. 329. Rei s E o ld. t. a. p. S. 3ï3.

C4

Sluiten