Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 4° )

te gehoorzamen aan het oppermagtlge bevel onzer eigen rede , die, volgends hare zuivere practijche beginzelen, alleen onzen '.vil, onderwerplyk , bepalen moet ; gelyk zy dien , voorwerplyk , van voren, bepaalt: indien 'er enige wezenlyke waarde , in onze daden , zyn za!, en wy den naam van deugdzaam, wat zeg ik,? den naam van menschen dragen zullen. (*) De rede tog maakt den mensch. Wie haar veracht, verdient dien eernaam niet. Ene deugdzame daad alleen is redelyk : doch hier toe is niet genoeg, dat dezelve pligtmatig zy : maar , inzonderheid , ook, moet dezelve, uit p ligt , gefchieden. De achting voor de wet moet volftrekt onbepaald zyn, of het is fchyndeugd — niet ware deugd, dat is goede wil, zuivere goedwilligheid , welke in de vraag bedoeld wordt. Gelyk de wet der practifche rede maar één is ; alzo is de ware formljke deugd maar één : doch heeft, tevens , betrekking tot elk enen voorkomenden pligt. — Door onze practifche rede, zyn wy, ja, wetgevende leden van een Ryk der zeden , door practifche vryheid alleen denkbaar — wy zeiven bekleden dus, uit kracht van onze redelyke na

tuur,

(*) Nenw potest jure dioi homo , nifi cjui fapieus est, Lactantius, da verd fap. c. i.

Sluiten