Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 52 )

wenscht, twyfele. De twyfel is, in dit geyal, redelyk. Maar dat niemand de zaak Üoutlyk ontkenne: want ontkenning zoude voorbarig , en onredelyk zyn ; \vyl de ervaring, noch 'tegen — noch itdö> — het beftaan van zodanig ene goedwilligheid , be/lisfchende uitfpraak doet. Het is de twyfel alleen , welken ik wilde regtvaardigen , zonder de byzondere daden , die ik, in de jaarboeken der volken , met lof vermeld vinde , of die ik myn medemensen, volgends den regel van zynen pligt , zie verrigten , op enen meesterachtigen toon , als onzuiver , te veroordelen, en , ftelliglyk, te beweren , dat "er nimmer ene zuivere daad, door den mensch, zoude geoefend worden.

Hoe duidelyker ik my den aard van het practifche goed vooiftel, en de veelfoortige dryfveders der zinlyke natuur in overweging neem; hoe meer ik >— fchier in wederwil van my zeiven >— den gezegden twyfel moet regtvaardigen.

Het komt, in deze zaak , vooral, daar op aan, myn Lezer! dat wy ons duidelyke begrippen vormen , aangaande het ware , het volftrekte, het practifche , goed, welk de Rede , aan alles , wat redelyk is , zonder enige voorwaarde, als noodzakelyk, gebiedt. Om dit, in de zuivere rede alleen gegrondde, goed, dal, op- en door- zig

zei-

Sluiten